Princenhaags Museum
Princenhaags museum
Haagweg 334 - 4813XE Breda, Princenhage
Bier in Princenhage Natuurlijk wordt er al eeuwen bier in Mertensem, Hage of Princenhage gedronken. Maar wij waren echt niet de eerste. Al ver voor onze jaartelling werd er bier gedronken. Althans maakte men in alle oude graangebieden een aan bier verwante zwak alcoholische drank. De oudste duidelijke gegevens uit Babylonië van omstreeks 4000 jaar voor Christus vermelden de bereiding van bier. In dat land zijn al vroeg regels opgesteld hoe men bier moet brouw-en en verhandelen, zoals we dat kunnen lezen in de Codex Hammurabi (Koning omstr. 1790 v. Chr.) : Iedere brouwer die onrechtmatig water toevoegt aan het gebrouwen bier in zijn eigen vaten dient te worden verdron-ken. Pharao Ramses II had een brouwerij speciaal voor het tempelpersoneel. Het verbruik van de priesters en hun ondergeschikten van de Amontempel (Karnak) beliep zich volgens de bierboekhouding van een bepaald jaar op 466.308 kruiken. Tacitus (55-120 n. Chr.), beroemd Romeins wereldreiziger, noteerde in zijn verslag dat de Germanen in plaats van hop eikenbast gebruikten om het bier aan te zetten en te vrijwaren voor bederf. De Batavieren in een later stadium kennen ook nog geen hop. Zij gebruikten “gruit” afkomstig van de gagel, een wilde heestersoort. Er werd ook mengsel van tijm, koriander en look toegevoegd. Gruit viel tot ver in de Middeleeuwen onder het monopolie van de landsheer en werd een van de eerste producten waar accijns op geheven werd. (o.a. door de Heren van Gruuthuse te Brugge). In 1364 werd in het Heilige Roomse Rijk, waartoe ook Brabant behoorde de wet Novus modus fermentandi cevesiam, ingevoerd, die de toevoeging van hop in gruit regelde zodat bederf en besmetting door slechte gisten kon worden tegen-gegaan. In 1516 volgt het Reinheidsgebod. Alvast een voor-proefje op de warenwet zoals wij die nog kennen. Hoewel nog er nog steeds bieren worden gebrouwen waaraan kruiden zijn toegevoegd hebben de hopbellen plaats ingenomen van de oorspronkelijk gruit. De beste hop kwam uit Vlaanderen, Zuid- Engeland, Zuid-Duitsland en Bohemen. De opkomst van de Brouwerijen In die tijd waren er drie soorten brouwers: de kloosters (b.v paters Trappisten die voor eigen gebruik produceerden, de koopbrouwers werkten voor de vrije vekoop en de huisbrouwers, b.v. grote boeren e.d. die eveneens voor eigen gebruik of buurtschap bier maakten. Bier werd een volksdrank, de zestiende en zeventiende eeuw was een bloeiperiode voor de brouwerijen die op ambachtelijke wijze hun produc-ten maakten. Amersfoort en Gouda telden zo’n 350 brouwerijtjes. Wel werd de vervuiling van het oppervlaktewater ook toen al een steeds groter probleem. Eigen bronnen, met voldoende waterdruk, waren zelden. Gelukkig krijgt men door de hoge temperaturen tijdens het brouwproces ziektekiemen e.d. redelijk onder controle krijgen, zodat bier een relatief veilige drank was. Het werd de hele dag gedronken, wijn was sowieso alleen voor de beter gesitueerden weggelegd. Dat z.g. scharrebier met een licht alcoholpercentage was dus ook een drank voor de opgroeiende kinderen. In de 17e eeuw lag de consumptie per hoofd van de bevolking tussen de 250 en 400 liter. In Nederland lag het verbruik begin 1990 op 85 liter! Het was voor het volk dus een alledaagse drank. Alleen bij bijzondere gelegenheden, kermis en feesten, begrafenis en huwelijken, schonk men bier met een hoger percen-tage; pas toen werd het een genotmiddel dat veelal samen met een pijpje werd genoten. Die zwaardere bieren waren verigens ook een stuk duurder. Rond 1650 kwam er concurrentie van de koffiehuizen die vooral in de Hollandse steden ontstonden. Het zou echter tot ver in de 18e eeuw duren voor koffie en thee, die in die huizen werden tegen steeds lagere prijzen werden geserveerd, een bedreiging voor de bierconsumptie gingen vormen. Dan doet in 1841 de eerste stoommachine zijn intrede (Den Hert Haarlem) en met dit gegeven maken de eerste “Stoom-brouwerijen” reclame. De stoom dreef de moutmolen aan en de verwarmde de ketels. Dat betekende ook meer productie per brouwerij terwijl het verbruik sterk afgenomen was door de relatief goedkope koffie en thee. Tussen 1819 en 1858 daalde het aantal brouwerijen van 678 met 30% naar 466, over het hele land genomen. Uitzondering bleef Limburg: alle 132 bierbrouwers bleven overeind. In Brabant hielden 6% van de 240 brouwerijen het voor gezien. De Prins van Oranje (nu Rabobank) zat bij die 6%. Brouwerij De Koe van de wed. Nooren vulde in 1950 de laatste fusten. De huisbrouwerijen in Princenhage waren intussen ook verdwenen. Zie volgende pagina.